De blockchain als monopolie-breker

Er wordt veel geschreven over wat “de blockchain” wel en niet vermag (ook ik doe daar aan mee) en dat zal nog wel even zo blijven, want de technologie is nog volop in ontwikkeling. Die ontwikkeling gaat, zoals het hoort bij dit onderwerp, volkomen gedistribueerd en ongecoördineerd. Voor Ethereum, bijvoorbeeld, worden door allerlei teams allerlei applicaties gebouwd, terwijl ondertussen een cruciale aanpassing aan de kern wordt voorbereid (Casper, voor ingewijden). De kans is vrij groot dat er de komende maanden nog spannende dingen gaan gebeuren.

Een punt dat echter veelal onderbelicht blijft, is het enorme publieke belang dat met blockchain-projecten gemoeid is. Blockchains kunnen een essentiële rol spelen bij het voorkomen en bestrijden van monopolies in de netwerkeconomie. Ik zal dat toelichten.

Monopolies zijn in beginsel onwenselijk. Een monopolist heeft een grote marktmacht, en je kunt moeilijk aantonen of hij daar misbruik van maakt, omdat er geen vergelijkingsmateriaal meer is. (Vandaar dat vroeger, toen overheden marktwerking nog serieus namen, monopolievorming actief werd bestreden.)

Gelukkig zijn monopolies in de “oude economie” vrij zeldzaam. Schaalvoordelen slaan in de meeste sectoren na een bepaalde omvang om in schaalnadelen, dus dat biedt ruimte voor concurrenten. Ook hebben we geleerd om infrastructuur en diensten van elkaar te scheiden: het eerste deel blijft in gemeenschapshanden, op het tweede deel kan concurrentie plaatsvinden. Zo doen we dat bijvoorbeeld met spoorweg- en elektriciteitsnetten en met etherfrequenties.

In de “nieuwe economie”, daarentegen, zijn monopolies eerder regel dan uitzondering. Dat komt door het alom aanwezige netwerkeffect: bij iedere extra gebruiker neemt de waarde van de dienst voor alle andere gebruikers toe. Bij platforms als Facebook, Uber en AirBnB is dat evident. Bij andere diensten ligt het iets subtieler: als marktleider leer je zó veel meer en dus zó veel sneller over je gebruikers, dat je voorsprong steeds groter wordt. Google weet zó enorm veel meer over zoekgedrag dan de nummer twee in de markt, dat die voorsprong nauwelijks in te halen is. En de altijd-online auto’s van Tesla leveren zó veel informatie, dat het waarschijnlijk lijkt dat Tesla, en niet Google, als eerste die lang-beloofde zelfrijdende auto op de markt zal hebben.

In tegenstelling tot “gewone” schaalvoordelen, worden netwerkeffecten niet negatief na een bepaald optimum. Veel markten in de nieuwe economie zijn winner-takes-all markten. Het voordeel van als eerste groot zijn is enorm. Dat verklaart ook grotendeels de bijzondere investeringsdynamiek rondom startups: snelle groei is belangrijker dan winst. Maar dit gegeven brengt ook de mededingingsautoriteiten in een lastige positie. Het opsplitsen van dit soort monopolies maakt de consument, in ieder geval op de korte termijn, slechter af. Je vernietigt dan waarde. Maar op de langere termijn blijven monopolies onwenselijk — ze belemmeren innovatie en bovendien staan al te grote concentraties van geld en macht op gespannen voet met democratie en rechtsstaat.

Ik denk dat een (groot) deel van het probleem erin zit dat we in de nieuwe economie nog niet goed snappen waar precies de infrastructuur ophoudt en de dienst begint. Of beter: waar precies de infrastructuur op zou moeten houden (en de dienst zou moeten beginnen). De eerste spoorwegen waren ook privé-bezit; pas later bedachten we dat dat niet handig was. Het is wel duidelijk dat de infrastructuur van het internet niet ophoudt bij kabels en routers en switches. Er horen ook protocollen en standaarden bij. Maar wat nu precies publiek is en wat privaat, en wat een overheid kan en mag afdwingen, dat is best lastig — zie bijvoorbeeld de discussies over netneutraliteit.

Het zou mooi zijn als de grens tussen publiek en privaat domein een stukje zou kunnen opschuiven, en de overheid een bedrijf als AirBnB zou kunnen verplichten om de basisdata (die eigenlijk van hun klanten zijn, natuurlijk) onder te brengen in een gedeelde, gedistribueerde database die dus niet van AirBnB is. AirBnB, maar ook concurrenten, kunnen dan een licentie krijgen om op die gegevens hun dienstverlening te ontwikkelen en als het ware hun eigen venster op de gedeelde data te maken. Op die manier blijven de netwerkeffecten behouden, maar vallen ze voor een (veel) groter deel toe aan de gemeenschap. En omdat klanten makkelijker kunnen switchen, worden concurrentie en innovatie gestimuleerd.

Zo’n gezamenlijke, gedistribueerde databasestructuur, dat is precies een van de beloftes van blockchain-technologie. Blockchains kunnen dus monopolies in de netwerkeconomie voorkomen, terwijl de netwerkeffecten behouden blijven — een belangrijke puzzel, waar ik geen andere oplossing voor ken. Maar zoals gezegd: de technologie staat in de kinderschoenen en er is nog veel ontwikkelwerk te doen. En investeerders steken hun geld liever in de potentiële nieuwe monopolist dan in de technologie die nieuwe monopolies onmogelijk gaat maken. Het is dus aan de overheden om de portemonnee te trekken. Dit is nu eens een publieke investering met een zeer aantrekkelijk rendement.

Naschrift: de titel van dit stuk was oorspronkelijk: “Waarom de overheid in blockchains zou moeten investeren”. Bij nader inzien vond ik die vlag de lading niet helemaal dekken. Ten eerste: welke overheid? (In het stuk zelf staat “de overheden”; dat is beter.) Ten tweede: er zijn voor verschillende overheden verschillende andere goede redenen om in blockchains te investeren; zie bijvoorbeeld het Dutchchain-initiatief.